Dyslexie

Wat is dyslexie?

Herkent u bij u zelf of bij uw kinderen onderstaande problemen?

  • spelling: moeite met het verschil horen en weten tussen lange en korte klinkers (bijv. aa/a) en andere klanken (bijv. ui/eu; b en p);
  • schrijven: het omdraaien van klanken (bijv. ui > iu; eu > ue; b > d.
  • Zinnen achter elkaar door schrijven zonder bijv. komma’s, punten en hoofdletters. Vaak onleesbaar handschrift;
  • lezen: langzaam en spellend lezen of juist snel met veel fouten (andere woorden lezen dan er staan). Weinig besef van begin/midden/eind zin (te horen aan de intonatie).
  • taal: het volgen en begrijpen van gesproken taal; minder grote woordenschat, het vinden van woorden en formuleren van zinnen.

Dan is er een grote kans op dyslexie.

Een deel van de kinderen in het basisonderwijs heeft moeite om te leren lezen (ongeveer 10%). Daarvan zijn er kinderen (ongeveer 4%) die een hardnekkige achterstand houden bij het lezen lezen en spellen. Zij hebben meestal een normale intelligentie en geen andere problemen (bijv. neurologisch). Deze kinderen krijgen vaak de diagnose dyslexie.

Bij dyslexie kunnen kinderen de (spraak)klanken minder goed waarnemen, herkennen en van elkaar onderscheiden. Hierdoor hebben zij grote moeite om letters- en spraakklanken te koppelen. Dit heeft weer invloed op het leren lezen en spellen. Ook bij het leren van grammatica en het begrijpen van de zinsbouw kunnen problemen ontstaan.

Er zijn kinderen die een groter risico lopen om dyslexie te ontwikkelen. Dyslexie blijkt erfelijk te zijn. Kinderen die ouder(s) hebben met dyslexie hebben een grotere kans (tussen 20%-50%) om dyslexie te krijgen. In de hersenen is aan te tonen dat er lichte afwijkingen zijn in de gebieden die te maken hebben met het herkennen en verwerken van klanken en spraak.

Wat zijn aanwijzingen voor het ontwikkelen van dyslexie? De eerste tekenen kunnen milde en algemene problemen in de taalontwikkeling zijn. De kinderen hebben meer moeite met het verwerken en onthouden van klanken en het spreken (articulatie). Ook zijn er problemen met het taalbegrip (woordenschat en zinsbegrip) en de taalproductie (woordenschat, woordvorming en zinsvorming).

Hoe is dit merkbaar? Kinderen kunnen bijvoorbeeld op 2,5 jarige leeftijd te korte en weinig complexe zinnen gebruiken. Als zij ouder worden (bijvoorbeeld op 5-jarige leeftijd) hebben zij grote moeite met het herkennen en onderscheiden van klanken en is er een slechter letter-klankkennis. Als kinderen een aantal jaren leesonderwijs hebben gevolgd (bijvoorbeeld 10-11 jarige leeftijd) hebben zij problemen met het lezen en spellen. Zij kunnen vaak ook moeite hebben met complexe zinnen (bijv. is een zin wel grammaticaal juist of niet) en het gebruik van toonhoogte, accenten en pauzes in de zinnen.

Als de kinderen het voortgezet onderwijs gaan volgen kunnen zij moeite hebben met met spelling, grammatica en zinsbouw. De vreemde talen kunen zij moeilijker onder de knie krijgen (vooral het Engels). Zij hebben problemen met het verwerken van lesstof en het lezen en begrijpen van teksten . Ook ondervinden zij problemen bij het schrijven en de planning van het huiswerk. Er zijn ook leerlingen waarvan nog niet bekend is dat er sprake is van dyslexie. Zij kunnen dezelfde problemen hebben, echter in lichtere vorm.

Volwassenen hebben problemen thuis en op het werk. Ondanks het feit dat het lezen en spellen meer geautomatiseerd zijn, blijft het moeilijk om teksten te lezen en begrijpen. Ook hebben zij moeite met het schrijven (grammatica en zinsbouw).